Terug

Handen

Ik schudde reeds vele handen die dagelijks professioneel pen of toetsenbord beroeren, en steeds dwong ik mezelf daarvan bewust te zijn. Deze handen schreven Joe Speedboot, dacht ik onlangs nog toen ik me nederig voorstelde aan Tommy Wieringa, en het zijn deze vingers die een absurditeit schetsen die de ware wereld haast in krankzinnigheid overtreft, dwong ik mezelf te denken toen ik mijn handen om die van de overigens niet al te fris ruikende Herman Brusselmans klemde. Die laatste was overigens in een niet al te beste bui. Ik ontmoette hem na een voordracht op de Dag van Literatuur, een groots opgezet eendaags festival om het boek te promoten bij pubers die eigenlijk liever dan alles bruinverkleurde pulksels uit hun neus vreten. Toen Brusselmans na een voordracht van het podium wilde verdwijnen om zich in de enige ruimte in het enorme gebouw in Rotterdam die niet over een rookmelder beschikte, te voorzien van zijn zoveelste nicotineshot, sprak ik hem aan. Achter me liep de zaal opvallend vlug leeg. ‘Goedemiddag, meneer Brusselmans,’ zei ik. Hij trok die hand die hij in zijn jaszak had gestoken om zijn kankerstokjes tevoorschijn te toveren, weer vlug terug. Ik stak mijn hand uit en deze werd geschud. Ik vertelde hoe ik zijn werk bewonderde, hoe ik als enige van mijn literaire vrinden de waarde van zijn taal door de ongein heen zag, hoe ik, anders geformuleerd, Brusselmans al enige malen tevergeefs had voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Zelf vond ik die grap geslaagd, en ook Lisa had er de avond tevoren om gegniffeld. Jazeker, ik had mijn woorden gerepeteerd. Niet iedere dag krijg ik de kans Hermannen Brusselmans te ontmoeten. Die oefensessies verliepen geniaal, maar nu het echte moment daar was, liet het leven me in de steek.
‘Jaja,’ dat geloof ik,’ mopperknorde Brusselmans en als volleerd geconditioneerd fotomodel sloeg hij zijn lange, vettige haren vast uit zijn gezicht en nam naast mij plaats.
‘Zeker,’ zei ik en nam mijn telefoon maar uit mijn broekzak.
‘Komt er nog een foto?’ vroeg hij terwijl ik aanklooide met mijn camera. Ik kreeg de belichting niet voldoende aangepast.
‘Zeker,’ zei ik weer, had eindelijk mijn camera op de juiste stand gereed gebracht en nam een selfie – een woord overigens, waarvan ik hoop dat het over twintig jaar in de collectieve vergetelheid zal zijn geraakt, maar daaraan twijfel ik behoorlijk. Enfin, ik had een aantal keer geklikt. Ten minste één geschikte foto om mijn literatuurminnende vrienden in hun knuisten te laten bijten van jaloezie zou ik wel hebben.
‘Dank u bijzonder vriendelijk,’ zei ik en stak mijn hand nogmaals uit. Weer werd deze geschud, en weer ging er, zoals men dat dan pleegt te zeggen, van alles door me heen. Zijn chagrijn deerde me allesbehalve, ik dacht alleen maar aan die handen.

De laatste weken hoop ik sterker dan ooit dat ook mijn handen ooit zo mogen worden, dat ooit ook mijn vingers die van anderen omhelzen, en dat ik dan weet wat die anderen denken. Die handen, denken ze dan, die hebben het geflikt. Nu wij nog.



Terug