Terug

Geduld

‘Grote godsgenade,’ pufte ik toen ik mezelf achter mijn vriendin aan de twaalfde kledingwinkel in huilde. Lisa mompelde iets over zeiken en zeuren, maar ik was een half uur eerder gestopt met luisteren. Winkel in, zeggen dat de desbetreffende lap stof erg goed stond, mooi, kleed goed af, niet dat je te dik bent, nee, jezus, dat zeg ik toch niet, en hopen dat de tocht richting kassa zo snel en definitief mogelijk werd ingezet. Dat was mijn strategie.

Op het zoveelste oncomfortabele krukje voor het zoveelste pashokje in de zoveelste winkel opperde ik zeer voorzichtig dat ik, als het aan mij lag, maar dat kon zeer persoonlijk zijn, best graag naar huis wilde. Het crèmewitte gordijn zwiepte open en ze stond voor me in een te korte en te krappe broek waarvan de knoop open hing. ‘Dan ga je toch,’ zei ze en ik geloof dat ze het meende.

Uiteraard ging ik niet. Wie a zegt, moet het hele alfabet op kunnen dreunen. Toen we, nadat ze een keus had gemaakt (de keus geen broek te kopen, ze had er bij nader inzien niet genoeg saldo voor), thee en koffie dronken op een nabijgelegen terrasje, sprak ze me aan.
‘Toon,’ zei ze. ‘Nou moet jij eens goed luisteren. Je zeurt. Ik ga ook altijd met jou mee wanneer je drieënhalf uur in altijd dezelfde boekenwinkel in altijd dezelfde boeken loopt te bladeren zonder ooit iets te kopen. Dan hoor je mij ook niet zeuren. Het stoort mij, weet je dat. Het stoort. Mannen moeten altijd zeuren, altijd puffen en kreunen. Altijd hetzelfde liedje verdorie. Ik heb eigenlijk maar één piemeldrager gekend die niet bij de aanblik van elke willekeurige kledingwinkel in huilen uitbarstte. En weet je Toon, dat was mijn opa. Die man die zeikte niet, ging gewoon mee, trots op zijn klein gebleven kleindochter die zich mooi voelde.’
‘Mooi wás,’ prevelde ik, maar ze liet zich niet onderbreken.
‘Hij zat trots op die krukjes, met glimmende oogjes. Hij keek ermee en gaf zijn mening. Eerlijk. Als een jurk kut was, zei hij het ook. “Is niks,” zei hij dan terwijl hij met zijn hoofd schudde en een vies hoofd trok. Eerlijkheid, Toon. En geduld. Weet je hoe fijn dat was. Na afloop nam hij me mee naar zijn stamkroeg. Bij binnenkomst begroetten we de dronkenlappen die dag in, dag uit sappeldepoepeldeloerezot zaten te worden aan de plakkerige donkerbruine bar. Voor mijn opa geen alcohol: hij dronk wat ik ook dronk. Samen staarden we naar de zuiplappen die inmiddels bij het interieur leken te horen. Naar de man die niets anders deed dan muntjes in een gokkast gooien. Als de man voor de twaalfduizendste keer verloor en gefrustreerd tegen de kast schopte, keek opa me aan en knipoogde hij kort. Maar goed Toon, geduld. Daar draait het om. Onthoud dat nu eens een keer.’ Ze draaide haar hoofd demonstratief van me weg.
‘Okee. Ik snap het,’ zei ik, en ergens zeer, zeer diep vanbinnen wist ik dat ze gelijk had.



Terug