Terug

Foto

Een vrolijke malloot sprong op de grond en zwaaide zijn armen wild in de lucht om onze lachjes te forceren. Ik stond doodsangsten uit terwijl ik naar boven keek. De zon scheen en de lucht was min of meer blauw, maar in mij wierpen stresshormonen zich op een immense vleeshoop.

De vrolijke man was de schoolfotograaf. Nadat hij zes jaar lang pubers ruw op een rottende kruk had geduwd, op een knopje had gedrukt om de stinkende acnémonsters er daarna weer net zo hardhandig vanaf te duwen en de hele procedure weer van voor af aan te starten, had hij dit jaar voor de eerste keer de opdracht gekregen om de examenfoto te maken. Dat hield in dat alle examenkandidaten zich op een zonnige dag op het schoolplein verzamelden, om dan samen met de mentoren vrolijk omhoog te staren, waar de camera zich op een aantal meter in een lantaarnachtige paal bevond, om een mooi kiekje in vogelperspectief te schieten. En zo te zien was de fotograaf daar zeer content mee. De norse blik waar wij jaar in, jaar uit naar hadden moeten glimlachen, was veranderd in dat van een uitzinnige maniak en zijn snibbige keelgebrom was getransformeerd in jostibandachtige vrolijkheid. Om mij heen ook allemaal vrolijke blikken: het jaar zat er bijna op en het ware leven, heftig en intens, snel en dynamisch, hartstochtelijk en daadkrachtig, vol risico en avontuur, stond op het punt om los te barsten. Zo niet dat van mij.

Desalniettemin had ik een half uur daarvoor besloten me bij mijn vriendengroep te voegen. Ik was me er pijnlijk bewust van dat de rest de universiteiten en hogescholen in de provincie en daarbuiten onveilig zou gaan maken terwijl ik nog een jaar mocht wegkwijnen in de banken van de middelbare school. Dan wilde ik op z’n minst met iedereen samen op de afscheidsfoto, bedacht ik. De anderen lachten toen ik aan kwam sjokken en geen van mijn kompanen sputterde tegen.

Op het moment dat we ons in de foto-opstelling klaarzetten, kwam de directeur tierend en met een bloeddoorlopen kop aangelopen. Onzedelijke en zeer stoute woorden schoten mij door het hoofd. Wegkijken, zei mijn instinct en ik kreeg uit het niets een enorme botanische belangstelling voor het onkruid dat zich tussen de schoolpleintegels een weg naar boven probeerde te banen. Na een minuut, de fotograaf stond nog te klungelen met wat kabels, durfde ik op te kijken. De man had een aantal rijen achter mij plaatsgenomen en leek inmiddels weer enigszins bedaard, gebaarde een van mijn vrienden. Mooi, dacht ik, niet kwaad om mij. Gewoon omhoog kijken dadelijk. Als die man ook omhoog kijkt, vooral niet voor zich uit, zal hij mij niet zien. Dan knijp ik er daarna zo vlug mogelijk tussenuit.

‘Lachen!’ schreeuwde de man uiteindelijk extatisch, ‘lachen! Kijk naar het vogeltje dan! Kijk hem eens zitten daar!’ Ik keek naar boven, ik keek naar dat vogeltje, ik zag hem zitten, voelde een volwassen mannenhand op mijn schouder en barstte in een onbedaarlijk lachen uit.



Terug