Terug

Festival

Nu de zon de gesprekken op straat de komende maanden zal domineren en de bedrukkende hitte ons van de nodige slaap houdt, gaan mijn gedachten zo nu en dan terug naar een jaar geleden, toen ik in de zomervakantie voor de eerste keer in mijn uiteraard nog zeer ongerepte en prille leven een festival bezocht. Haast als vanzelfsprekend was het godsgloeiend heet. Om me heen smolten mensen als waren ze was en ikzelf hield het ook niet droog. Dat deerde echter betrekkelijk weinig: ik had het goed naar mijn zin en betrapte me zelfs zo nu en dan op een ritmisch bewegende heup hier of zwiepende ledematen daar. Mensen keek vreemd op, en ik stond eigenlijk ook van mezelf te kijken.

Toen de dag richting zijn einde liep en de afsluiter van de avond kwam, sloeg het weer en daarmee het humeur van velen echter om. Het viel inderdaad niet te ontkennen dat het zo onfatsoenlijk hard plensde dat ik er even bang voor was dat de zee zou overstromen en ik niet op tijd door de mokkende mensenmassa heen zou kunnen komen waardoor ik samen met enkele muzikale idolen op het podium mijn longen tot de dood aan toe roemloos met water zou moeten vullen, maar ik liet mijn humeur er niet door verstieren. Het mannengroepje achter mij dat in de loop van de dag de nodige promillages alcohol verzameld had, leek met het oog op de grote verscheidenheid ziektes die ze begonnen te bezigen wel wat somberder te zijn geworden. Op het podium werd het slotoptreden voor een paar minuten even stilgelegd vanwege optrekkende donder die potentieel gevaar op zou kunnen leveren. De lucht was donker: door het haast middernachtelijke tijdstip, maar ook door het reflecterende humeur van de meerderheid der festivalbezoekers.
‘Godverdomme teringhoer!’ hoorde ik een dikke lelijkbebrilde kerel achter me roepen naar de presentatrice van de dag. Nounou, dacht ik. Dat zou je in principe ook anders kunnen verwoorden. Ik draaide me om.
‘Nounou,’ zei ik en ik grinnikte. ‘Dat zou je in principe ook anders kunnen verwoorden.’ Ik hikte twee keer en een klein boertje ontsnapte, want ook ik had niet louter Fristi gedronken die dag. De man keek me aan, haalde zijn rechterwenkbrauw omhoog en leek me verder te negeren. Volledig voldaan en trots op mijn eigen kunnen draaide ik me daarna weer om, mijn gezicht naar het podium. Je ziet gelijk wie hier de leraar is, dacht ik fier en ik was nog niet klaar met denken voor ik een rare tik op mijn achterhoofd kreeg. Toen ik me wederom omkeerde, zag ik dat de man me met zijn bril te lijf ging. Hij zwaaide het montuur welgeteld vier keer op mijn hoofd, en ik was té stomverbaasd om er iets aan te doen. Ik stond daar en keek naar de man die me vier keer verrassend hard met zijn bril sloeg – waarschijnlijk omdat hij er vanwege de honderden minuscule regendruppeltjes er toch niet veel meer door zag - en ik kon er niks aan doen, maar een enorme lachbui overviel me. Ik lachte de vetklep hard in zijn gezicht uit. Ondanks de donkerte zag ik hem rood aanlopen. Hij stampte een aantal keer met zijn klompvoetjes op de grond en stond op het punt me een genadeklap te geven met zijn bril toen zijn vrienden hem bij me wegtrokken. Mijn lach daarentegen trok niet weg.

Ik hoop dat ik hem dit jaar weer zie, want uiteraard sta ik over een paar maanden weer klaar op hetzelfde plekje. Mocht hij zich daar niet melden, ga ik hem zoeken. In mijn binnenzak prijkt dan een stevige aluminium skibril. Ik kan niet wachten.



Terug