Terug

Erg

De achtentwintig leerlingen die ik tijdens het eerste lesuur diende te voorzien van karrenvrachten kennis over de schone kanten van de Nederlandse taal, konden niet laten opmerkingen te maken over mijn literaire shirt. ‘Het ergste moet nog komen,’ stond er in witte blokletters op gedrukt. Daaronder in kleinere letters de naam Schopenhauer, de Duitse filosoof die ooit deze bemoedigende woorden schreef.
‘Zijn we zo erg?’ vroeg een jongen. Ik antwoordde, pas nadat ik hem met wat non-verbale gebaren te kennen gaf dat hij zijn petje af diende te doen, dat dat wel meeviel.
‘Pas na les twee wordt het moeilijk,’ voegde ik daaraan toe. ‘Les drie is zwaar, bij vier steekt suïcidaliteit zijn kop om de deur.’ De jongen keek me met grote ogen aan. Ik bedacht dat sarcasme niet zozeer een stijlfiguur is, eerder een gave.
‘Maar goed,’ vervolgde ik. ‘Vandaag wijd ik jullie in in de wondere wereld van de sollicitatiebrief.’ Meerdere diepe zuchten stegen uit mijn publiek op.

Ook het tweede lesuur, waarin ik de leerlingen tot een grondige tekstanalyse moest dwingen, werd mijn shirt al tijdens de eerste minuut opgemerkt.
‘U bent pessimistisch,’ zei een meisje en mijn hart maakte een sprongetje. Ik complimenteerde haar met haar bovengemiddelde woordenschat en trapte af. Wederom ontsnapte hier en daar hoorbaar wat opgespaarde lucht uit longen.

Het derde uur viel niet mee. Het is niet eenvoudig uur na uur, dag na dag, week na week tientallen ongemotiveerden tot activiteit aan te zetten. Maar goed, ik verviel niet in ouderwetsch docentengeklaag en zette stug door.
‘Wat staat er eigenlijk op uw buikje?’ vroeg iemand en nog voordat ik mezelf af kon vragen of dit nu een belediging of onhandige woordkeus betrof, begreep ik dwars door de tijd heen mijn vriend Schopenhauer beter dan ooit.
‘Het ergste moet nog komen,’ antwoordde ik zuchtend en ik meende het nog ook.



Terug