Terug

Eenzaam

Een veelgehoorde associatie bij het schrijverschap is die van absoluut kluizenaarschap. Men verwacht een soort eeuwigdurend verlangen naar eenzaamheid bij diegenen die zichzelf ‘schrijver’ durven te noemen. Tot een paar weken geleden leek ik daar bij tijd en wijle de levende bevestiging van: weinig kon meer op mijn verlangen rekenen dan een dag zonder contact met andere tweebenigen.

Daarom besloot ik dan ook om alleen op pad te gaan voor mijn eerste column voor de weekkrant Via Limburg. Ik had besloten dat op de een of andere manier het toen in gang zijnde Sint-Rosafestival in Sittard een rol in mijn eerste stuk te geven, dus ik sprong alleen op mijn fietsje en reed richting het centrum. Daar aangekomen sloeg de twijfel aan mijn vermeende eenzaamheid onverbiddelijk toe. Iedereen kijkt naar me, dacht ik, toen ik volkomen alleen op een bankje plaats had genomen en het een en ander in mijn opschrijfboekje krabbelde. ‘Godgod, zit die jongen daar helemaal alleen. Zou het een zwerver zijn? Zo alleen. Of zojuist gedumpt misschien. Wat sneu,’ zal men tegen elkaar zeggen.

Toen ik een concert bijwoonde om de sfeer die het net op gang komende festival uitademde, eens goed tot me te kunnen nemen, zag ik tot overmaat van ramp een groep meisjes die ik een jaar eerder in mijn klas had gehad. Ik probeerde zo snel mogelijk door de hossende massa een weg naar buiten te vinden, maar het kwaad was al geschied.
‘Meneer!’ hoorde ik opgetogen vrouwenstemmetjes gillen, ‘meneer, wilt u op de foto?’ Ik keerde om. ‘Nee,’ riep ik zo hard mogelijk om boven het gedruis uit te komen, ‘ik heb net een belletje gekregen van een van m’n vrienden, ik was ze kwijt. Ze blijken aan de andere kant te staan, dus daar ga ik even naartoe. We spreken elkaar nog wel eens!’ en ik liep via een flinke omweg (uiteraard moest ik ook pretenderen me daadwerkelijk naar de andere kant van de tent te banen) de tent uit. Eenmaal buiten wachtte er uiteraard niemand, en daarom nam ik maar plaats op een van de bankjes en klapte mijn notitieboekje open.

‘Relatief rustig,’ schreef ik op. ‘Maar ongemak, veel ongemak. Doorheen het festival veel bankjes, maar tijdens het concert op twee na leeg. Aan de ene zit ik, aan de andere zit een zwerverachtig type. Hij ligt met zijn gezicht op de nu al van bier plakkende tafels. Hij lijkt dood, maar het nauwkeurige (ander woord verzinnen) oog zit dat hij lichtjes beweegt. Hij likt de laatste restjes alcohol van het tafelblad. Soms is bubbeltjeswater een prima optie, lijkt me. Zielig, eenzame man. Ik ruik ook maar eens aan mijn tafel: een weeïg aroma bestormt mijn neusgaten. Trouwens, met anderen is het meestal leuker,’ besloot ik. Ik werk het thuis wel uit, dacht ik.

Toen ik weer thuiskwam, vroeg Lisa hoe het was geweest. ‘Goed hoor,’ zei ik. ‘Maar zo spannend was het niet. Toen ik de grote lijnen voor de column op papier had, ben ik weer naar huis gekomen.’ Ik kroop achter mijn laptop en schreef, moederziel alleen, de eerste glansrijke column voor het weekblad.



Terug