Terug

Depressie

Zoals zovelen liep ik, toen ik de drempel van de puberteit over probeerde te springen, tegen talloze gesloten deuren aan waarvan ik de sleutel niet bezat. In plaats van dat ik mijn knapzakje pakte om op een middeleeuws spannende zoektocht naar die verloren magische sleutels te gaan, keerde ik naar binnen, sloot ik mezelf op in mijn kamertje om daar avonden lang volledig in mezelf gekeerd eerst het plafond en daarna de binnenkant van mijn ogen te bestuderen. Aangezien het niet allemaal rozengeur en maneschijn bleek wat ik daar aantrof, waren die sessies niet bepaald bevorderlijk voor de algemene gemoedstoestand te noemen. Binnen de kortste keren raakte ik dan ook in een veelverslindende depressie terecht.

Op aanraden van mijn psycholoog begon ik tijdens een van de diepste dalen waarin ik in mijn prille leven heb verkeerd eens ‘mijn gevoelens op papier te zetten’. Aanvankelijk met grote tegenzin ruimde ik eens per week een halfuurtje tijd in om achter mijn computer naar een onbeschreven Word-bestandje te staren. Na verloop van tijd gaf ik mezelf echter met de laatste kracht die ik in mijn jonge lijf had een onvergetelijk harde trap tegen mijn achterste, waardoor het schrijven begon. Eerst wat onsamenhangende zinnetjes, wat pretentieus poëtisch gebabbel en flarden van dagboeknotities, later besloot ik om een boek te schrijven.

Ondanks dat ik dat plan toentertijd zeer serieus nam (ik benaderde zelfs een aantal uitgeverijen), is het nooit wat geworden met mijn idee een wereldveranderende roman te schrijven. Ik schreef acht hoofdstukken, begon toen opnieuw, schreef er vijf, herschreef die vervolgens weer en keek er daarna nooit meer naar om.

Met enige weemoed lees ik, terwijl ik deze column schrijf mijn ‘boek’ van zeven jaar geleden terug. Met een serieus te nemen zelfbewustheid schreef ik over al mijn worstelingen, over alle gesprekken, instanties en paniekaanvallen. Over waanideeën waarvan ik niet meer zeker ben of ik ze daadwerkelijk beleefd heb of dat ik ze, onder het mom van iets als ‘prozaïsche vrijheid’ uit mijn dikke vinger heb gezogen. Over mijn onoverbrugbare einzelgängerschap. Maar ook over de hang naar scharen in mijn armen en de aantrekkelijkheid van openstaande ramen op driehoog en over een (achteraf hilarische) ik-brei-er-een-eind-aanpoging in een openbare kasteelvijver.

Alhoewel er niet over te twisten valt dat de inhoud van wat mijn debuut had moeten worden gewoonweg lelijk, verschrikkelijk en eigenlijk gewoon slechte bagger is, ligt daar wel de kiem van wat ik inmiddels toch wel mijn ‘schrijverschap’ mag noemen. Het heeft jaren geduurd voordat dat schrijven me eindelijk (ein-de-lijk) de juiste sleutels in handen gaf om de loodzware deuren open te duwen. Maar uiteraard was dat het allemaal waard: tot op de dag van vandaag pluk ik daar de ontelbare geurige en fleurige vruchten van.



Terug