Terug

Citroen

De avond voorafgaand aan een op zich niet als bijzonder prettig te bestempelen achterwaarts ziekenhuisonderzoek moest ik eens twee liter laxeermiddel drinken. Ik denk, ik open dit stukje maar gewoon met te zeggen waar het op stond, want zo was het. Twee liter laxeerdrank. Aan onwaarheden heb ik een hekel. Twee liter laxeerdrank, nog binnen honderdtwintig minuten ook. Aan de apothekersassistente vroeg ik of het een vies drankje was en deze reageerde, achteraf gezien vast volgens een of ander protocol, redelijk ontkennend. ‘Ach,’ zei het jonge meisje, ‘lekker is anders, maar het valt heus mee. Het smaakt naar citroen.’

‘Citroenen verdomme!’ riep ik, toen ik boven de wc hing, een authentiek straaltje slijm gemengd met laxeermiddel aan mijn onderlip bungelend. Zelden proefde ik iets wat zo weinig naar friszurigheid smaakte: ik dacht eerder aan gefermenteerde overjarige afgrijselijke rotte braadharing gebakken in door de schimmel inmiddels zwartgekleurde en van de weeromstuit bewegende kookroom light op een bedje van overgrootopa’s lijksappen, vijftig jaar lang keurig geconserveerd in een schattig rozerood potje op het bovenste plankje in een van onze godverdomde keukenkastjes. Vanachter de toiletdeur zei Lisa bezorgd dat ik niet te veel moest kotsen omdat links- of rechtsom twee liter moest drinken: spugen betekende bijdrinken. Ik vroeg me al af waarom we meer dan twee liter mee hadden gekregen van die vuile verraadster. Slok voor slok, tergend langzaam en in mijn gedachten vlijmscherpe samoeraizwaarden met uiterste precisie tussen de ribben van de apothekerstrol werpend worstelde ik me door de twee volledig gevulde maatbekers heen, zo nu en dan pauzerend om me kneiterhard uit welke opening dan ook te legen, huilend van intense opluchting en diepgewortelde ellende tegelijk.

Ik had bedacht dat het voor wat morele ondersteuning vast goed zou zijn wat vrienden uit te nodigen naar wat als een soort laatste avondmaal uit de hel aanvoelde. Nadat ik echter drie kwartier aan één stuk op en naast het toilet zat, stond of lag, klopten zij gebroederlijk op de deur met de mededeling dat ze niet zeker wisten of ze het gas thuis wel uit hadden gedraaid, dat het zeer gezellig was en dat we de volgende keer zeker weten bij hen zouden afspreken. Voordat ik in staat was mijn ongenoegen te uiten, werd ik door een ultieme verlossingstraal van de ergste misère bevrijd – voor twee minuten minimaal. Zelfs door de gesloten deur heen hoorde ik Lisa zacht grinnikend bewonderende kreten slaken.



Terug