Terug

Carnaval

Gedurende zijn miezerige leventje raakt de mens soms in situaties verzeild die hij liever ontweken had. De mens werpt tijdens veel van die momenten het hoofd dramatisch achterover in de nek en richt zijn blik strak naar boven, alwaar een postmodern fantasiewezen druk doende is de dagelijkse gang van zaken op de aardkloot in goede banen te leiden. De mens prevelt wat gebedjes en gaat weer door, hopend dat de Oppermachtige op korte termijn een gaatje in zijn bomvolle agenda vrij kan maken om de mens uit zijn penibele situatie te redden.

Ondanks dat de eeuwige jachtvelden nog vele lichtjaren van mij verwijderd lijken en ik dus in levenservaring onderdoe voor bijvoorbeeld paus Franciscus, mijn overgrootmoeder en de gemiddelde literatuurliefhebber, heb ook ik in mijn leven de nodige keren met mijn achterhoofdharen mijn nek gekieteld. Daarbij heb ik dan wel steeds gebroken met de traditie om een godheid aan te roepen, want daar ben ik niet zo van. Geloof in jezelf, is een devies dat ik graag iedereen zou willen aanraden. Maar voordat ik daar uren over ga uitweiden, lijkt het mij niet onverstandig om vlug naar de kern van de zaak toe te werken. Ik heb immers maar een minuut of tien en de tijd vliegt juist vandaag voorbij, dat zal je net zien.

Goed. Ook ik heb mij dus vaker dan eens afgevraagd hoe ik in godsnaam in bepaalde situaties ben terechtgekomen. Niet geheel toevallig vinden die momenten meestal plaats in de dagen van carnaval, een periode die ik in tegenstelling tot meeste raszuiderlingen grondig haat. Desalniettemin laat ik mij zo goed als ieder jaar overhalen om ‘gezellig’ mee te gaan en me in de drukte op allerhande pleinen zo plat te laten drukken dat bijvoorbeeld mijn oogwit naarstig naar lang vergeten lichaamsopeningen uitwijkt om vrijheid en zuurstof op te zoeken.

Drie jaar geleden bereikte ik wat dat betreft een tragisch dieptepunt. Ik neem u mee op een voor mij vast weer traumatische horrortrip naar wat ik tevergeefs naar de krochten van mijn geheugen heb proberen te verbannen.

‘Kom je mee?’ vroegen een aantal studiegenoten en geheel volgens traditie draaide ik mijn riedel af. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘nee, nee en nog eens nee. Het is de hel op aarde, ik zeg het jullie.’
‘Het lijkt me leuk als je verkleed als vrouw gaat,’ zei een meisje.
‘Nee,’ zei ik en ik voelde mijn hartslag op plaatsen waarvan ik niet wist dat dat kon. ‘Ik doe het echt niet.’
En dus stond ik een klein uur later omringd door drie vrouwelijke medestudenten in een pashokje in de dichtstbijzijnde Primark.
‘Doe dit maar aan,’ zei de middelste en terwijl ik filosofen die het bestaan van een vrije wil onverbiddelijk ontkennen beter begreep dan ooit, hees ik me in een nepleren panterlegging.
‘Het past niet,’ zei ik. ‘Ik kom er niet in.’
‘Jawel, zei een andere, ‘jawel dat lukt wel. Je moet proppen. Wie mooi wil zijn, moet pijn lijden.’
‘Ja,’ mompelde ik en ik propte mijn pronte mannenbenen in een te strakke huls. De contouren van alles wat er van mijn mannelijkheid over was, tekenden zich overduidelijk af.
‘Perfect,’ zongen de drie medestudentes in harmonieuze samenzang en nadat ik onder druk nog een prinsessenshirt met bijbehorende bontjas, een beugel-bh met kanten versierselen en een goedkope Chinese namaak designhandtas aanschafte, stonden we weer buiten.
‘Volgende week zul je het mooiste meisje zijn dat ik ooit gezien heb,’ zei die studiegenote die me in de legging dwong. ‘Ik heb nog een poepige pruik liggen, die mag je op doen. We maken je bij mij thuis daarna mooi op, zodat je wat lekkere hunks aan de haak kunt slaan.’
‘Ja,’ mompelde ik weer en ik twijfelde over hoe ik de boodschap dat enkele dronken idioten gulzig aan mijn opgevulde billen en borsten hadden gevoeld, eventueel volgende week aan mijn vriendin Lisa over moest gaan brengen zonder dat ik onze toch redelijk standvastige relatie onvermijdelijk op losse schroeven zou zetten.

Zes onrustige nachten later was het zo ver: het carnaval brak los. Vroeg in de ochtend begaf ik mij naar het Maastrichtse onderkomen van mijn grimeuse. Tot overmaat van ramp bleek ze een volledige verzameling van onder andere lippenstift, mascara, foundation en een set veel te overdadige nepwimpers klaar te hebben liggen.
‘Ga maar zitten,’ zei ze toen ik over de drempel van haar voordeur stapte. Ze reikte me een glas rosé aan, ‘want dat hoort er nu eenmaal bij.’ Tijdens haar sessie hield ik mijn ogen preventief gesloten, ook toen inmiddels al beschonken ramptoeristen de deur plat begonnen te lopen om vooral maar niets van mijn transformatie te missen.
‘Hoe zou je eigenlijk geheten hebben als je een meisje was geweest?’ vroegen ze, en ik gaf geen antwoord.
‘De bh die we gekocht hebben gaat nooit passen,’ zeiden ze, het ding en mijn borst nauwkeurig bestuderend en ik zuchtte diep – ook niet te diep, zodat mijn make-upmeesteres niet zou uitschieten. Inmiddels besmeurde ze mijn wangen met een of ander bruinend poeder. Ik opende mijn ogen.
‘Ik heb nog wel wat,’ zei iemand. Ze draaide zich om, trok haar bh uit en overhandigde die aan mij. ‘Hier,’ zei ze met een mijns inziens venijnige glimlach. ‘Ik heb hem waarschijnlijk toch niet nodig vandaag. Ik heb hem al voor je voorverwarmd.’
Ik nam het kledingstuk aan en voelde dat wat ze zei niet onwaar was.
‘Vrouwen delen nu eenmaal kleding,’ zei ze, toen ik het ding onhandig op mijn schoot legde en met de bandjes begon te spelen. Ik zei niet hardop wat ik dacht: dat vrouwen ook achtmaal daags samen het toilet bezoeken.

Geflankeerd door een handvol vrouwelijke studiegenoten, van wie ééntje inmiddels haar borsten dus de vrije loop had gelaten, betrad ik een uur later het inderdaad overvolle plein in Maastricht. Voor het eerst en hopelijk voor het laatst in mijn leven voelde ik wat grofweg de helft van de wereldbevolking dagelijks meemaakt. Onder het genot van enkele carnvalsknallers als Nel, Nel, Nel, ik ben een frikandel en Ed, Ed, Ed, geef mij eens een kroket priemden tientallen, wat zeg ik, honderden happige blikken zich dwars door mijn kleding heen. Hun ogen stevig gericht op mijn met opgefrommelde reclamefolders opgevulde boezem en billen – de tissues waren op en het toiletpapier schaars – en het ontging me allesbehalve. Ik zag ze kijken, die uit zuiver zaad bestaande voortslenterende geilbakken, louter gedreven door te hoge promillages en lust. Hun oogopslagen waren als die van kleine kinderen tijdens het aanschouwen van de carnavalsoptocht, vol verwachting en spanning kijkend waar de kleine snoepjes vanuit de wagens worden gegooid, in welke hoek al dat verdomde lekkers wordt gesmeten. Het was op het moment dat ik een flinke kneep ik mijn achterste voelde, dwars door de reclame van een kilo hamlappen voor vijf euro heen, dat ik me omdraaide, dwars door mijn overdadige nepwimpers heen in het gezicht keek van een van de afschuwelijkste schepselen in het ganse universum, mijn hoofd in mijn nek gooide en me afvroeg hoe ik in godsnaam – toch die god – in deze benarde situatie verzeild was geraakt, maar vooral, hoe ik er zo spoedig mogelijk weer uit zou kunnen geraken. Voordat ik goed en wel een vluchtroute had bepaald, vloog een plastic beker schraal bier me vrolijk tegemoet. ‘Ach ja,’ verzuchtte ik vlak voordat mijn mooie blonde lokken voor eeuwig door plakpils verprutst zouden worden.

Nu het voorjaar langzaam aanbreekt, komt ook carnaval 2018 steeds dichterbij. Voor mij betekent dat dat ik me een aantal dagen schrap moet gaan zetten en dat ik sterk moet zijn. ‘Nee, ik ga niet mee,’ ik oefen het al weken voor de spiegel. ‘Ik kan niet mee, want ik moet oppassen. Nee, beter is: ik moet naar de huisarts want ik heb last van mijn kleine rechterteen. Of is dat te specifiek? Gewoon teen, dan. Voet. Ik moet naar de huisarts, want ik heb last van mijn voet. Nee. Of ik heb tentamens, dat is het, ik heb tentamens en ik moet leren. Dat is het ook niet. Ik moet schrijven, misschien werkt dat. Ik kan niet mee want ik werk aan mijn carrière. Ja, dat is het. Terwijl het zuiden luid lallend en hossend Limburgs cultuurgoed viert, zit ik achter mijn laptop.
‘Toon, kom op. Je kunt dat ding best even wegleggen,’ zullen ze zeggen en ik zal er eerst nog dapper tegenin gaan.
‘Nee, ik kan niet mee, echt niet,’ maar veel uitmaken zal het niet. Ze zullen me toch wel weer overhalen, en voor ik het weet hijs ik mezelf weer in een of ander mal pakje. Het is niet God die reguleert, weet ik inmiddels. Het is niet God wiens wil wet is. Het is allemaal niet God, nee, het is de dronken studente. Knoopt u dat goed in uw oren.



Terug