Terug

Burgerlijk

Op de dag dat Lisa en ik op in een besneeuwd en krakend koud landschap verkering kregen – zo heette dat toen nog – spraken we voor de goede orde een aantal dingen met elkaar af.
‘Ten eerste,’ zei ik, ‘wil ik niet dat we een stel worden dat in het openbaar de godganse dag aan elkaar loopt te plukken.’ Ze was het daar min of meer mee eens.
‘Maar dan wil ik dat we nooit zo’n burgertrutjes worden,’ stelde ze daar tegenover alsof ze aan het afdingen was op een al redelijk goedkope combimagnetron. ‘Dat we niet twintig kilometer naar de dichtstbijzijnde IKEA rijden om daar stilzwijgend triest tegenover elkaar Zweedse gehaktballetjes onze slokdarmen af douwen.’
We sloten de deal en onze verkering was beklonken.

‘Je hebt nog wat van die saus daar,’ zeg ik, ruim zes jaar later, wijzend naar Lisa’s linkermondhoek. Op haar bord nog enige restjes door en door gegaarde sperzieboontjes, wat pureeprut en kleine balletjes gehakt. Om ons heen tientallen gezinnen met schreiende koters en wanhopig tot stilte manende ouders. In de hoek van het restaurant sleurt een vadsige vrouw op crocks een gillend kind aan zijn arm het toilet in.
‘Was het lekker?’ vraagt ze, als ze even later haar mond heeft schoongeveegd met drie servetten tegelijk. Ik antwoord bevestigend. ‘Als altijd,’ voeg ik eraan toe terwijl ik opsta om mijn glas voor de derde keer te vullen met Zweedse frisdrank. Als ik terugkom met een overvol glas spreken we af zo nog even langs de dekbedden te gaan en richting de uitgang de geurkaarsen kort te besnuffelen. Daarna zullen we in de auto stappen voor de terugrit.
‘Morgen weer vroeg op namelijk,’ zeg ik en voel me warempel even gelukkig.



Terug