Terug

Bourgondische-beproeving-I

Als ik ooit nog eens een vriendenboekje onder mijn neus geschoven krijg met van een van mijn compagnons de vraag of ik het alsjeblieft zo snel mogelijk zou willen invullen en retourneren omdat opa uit Alblasserdam dit weekend langskomt en hij hem dan ook in moet vullen voordat hij zondagmiddag weer terug moet omdat oma anders baldadig wordt en haar driedubbele adellijke achternaam in stront op de muur smeert, zou ik onder ‘hobby’s’ zonder twijfel uit eten invullen.

Ik verheugde me dan ook erg op etentje in Breda, waar ik afgelopen weekend met Lisa een middag rond had gehuppeld. We kozen een eettentje in een zijstraat van een zijstraat, waar het, volgens de woorden van de serveerster, ‘bij wijze van bijzonder hoge uitzondering niet zo heel druk was’. Wij vonden het prima, namen plaats achterin de zaak en bestelden vochtigheid.

Lisa en ik bespraken de hoognodige koetjes en kalfjes. Toen we voor de achthonderdste maal dit jaar aankwamen op het onderwerp ‘inrichting van de kinderkamer, niet-dat-we –zwanger-zijn-of-plannen-hebben-maar-stel-het-gebeurt-dan-hoeven-we-in-ieder-geval-geen-ruzie-meer-te-maken-over-de-commode’ zei Lisa met grote ogen dat ze iets aan haar been voelde. ‘Joh,’ zei ik. Twee seconden later tilde ze met het meest verbaasde gezicht ooit door mij waargenomen iets wat leek op een konijn met scherpe hoektanden aan een plooi nekvel boven de tafel uit. Het beest begon te blaffen, wat de suggestie van een hond wekte. En inderdaad, nog eens een seconde of vijf later rende vanuit de andere kant van de tent een te oude vrouw in een te korte jurk met te kittige panterprintstiletto’s, waarschijnlijk de eigenaresse, naar ons toe, met de oprechte verontschuldigingen van het huis. Had nooit mogen gebeuren. Gek beest. Het bleek inderdaad om een hondachtige te gaan. ‘Het is een herdershondje met een groeistoornis,’ zei ze. Soms haalt de werkelijkheid fictie in absurditeit in.

Toen de vrouw de kermende hond in een ons nog niet eerder opgevallen bench had gezet die in een hoek van het restaurant stond, werd de eerste gang geserveerd: een kippenpasteitje. Ik zei dat het goed lekker was en vulde die opmerking, met het oog op eventuele latere bloemetjes en bijtjes, aan met de kanttekening dat de pasteitjes van Lisa toch nét iets beter smaakten – en ik meende het. Bij de laatste twee happen aangekomen kwam de vrouw van het minihondje aangetrippeld. Dat de kok de salade vergeten was, maar dat ze dat nu kwam rechttrekken. Achter haar stond een serveerster, in haar handen een plastic bak maaltijdsalade van Albert Heijn. Geitenkaas en appels, met yoghurtdressing. Ons vrolijk aankijkend lepelde ze ons elk drie scheppen goed gehusselde salade op ons zo goed als lege bord. ‘Geen dank,’ zei ze toen Lisa en ik elkaar verbijsterd aankeken. Ik dacht: dit verzin je niet.



Terug