Terug

Bemoeizucht

Sinds mijn vriendin Lisa een drietal weken geleden een uit het niets opdoemend acuut verlangen naar het hovenierschap kreeg, zijn we de trotse huurders van een volkstuin. Uit het niets gaf ze op een doordeweekse avond zeer vastberaden te kennen te willen tuinieren, zoals ze eens per maand ook meedeelt dat ik een bak karamelijs moet halen. Als er iets is wat ik in de zeven jaren die onze relatie inmiddels duurt geleerd heb, is het dat daartegenin gaan gelijk staat aan waar kamikazepiloten voor werden opgeleid, dus ook op die doordeweekse avond deed ik alsof ik dat het beste idee ter Melkweg was.
‘Geweldig,’ riep ik uit, ‘dat ik daar zelf niet op ben gekomen.’ Ik zag Lisa’s gezicht opklaren, alsof ze ook zichzelf nog moest overtuigen. ‘Ja,’ zei ze. ‘Een goed plan. Want op dat boutbalkon van ons kunnen we nog niet eens een bakje bieslook kwijt,

Nu zitten we met een lap grond van maar liefst tweehonderd vierkante meter. Aan weerszijden van ons perceel zitten professionele tuiniers, of ze doen heel erg alsof ze verstand van zaken hebben. Al sinds de eerste keer dat we aankwamen bij onze lap grond, die oogde alsof er dertig jaar een ernstige burgeroorlog had gewoed waarbij nucleaire wapens niet werden geschuwd, kregen we van allerlei kanten goedbedoelde tips, wat me desalniettemin dusdanig op de zenuwen werkte dat ik veel van die tips meteen vergat omdat ik te druk bezig was met fantaseren hoe ik de bemoeizuchtigen op sadistische wijze de mond kon snoeren.
‘De prei is familie van de ui, en de knoflook is familie van de ui. Sterker nog: de prei en de knoflook zijn allebei familie van de ui. Daar moet je rekening mee houden met het planten,’ zei een van onze buren zomaar, een man met een strooien hoedje, een vlassig baardje en een onvoorstelbaar dikke pens. ‘Ze nemen de grond meestal lange tijd in beslag, dus je moet goed plannen. Ik weet niet of jullie dat wel kunnen, jullie zijn nog zo jong.’
‘Ach,’ zei Lisa, die meestal beter dan ik raad weet met dergelijke situaties. ‘Maar we moeten eerst even puinruimen voordat we kunnen planten, want het is een beetje een zooitje hier.’ Ze wees op de puinhopen – stapels verrot hout, metalen buizen en halfvergane kleding lagen verspreid over het terrein.
‘Je doet het verkeerd,’ zei de man wat later tegen mij toen ik een paar afgetrapte schoenen en een bos bruin geworden onkruid in een vuilniszak mieterde. Ik kreeg medelijden met degene die met dit individu samenwoonde. ‘Je moet je afval scheiden. En je kunt ook beter een biologisch afbreekbare vuilniszak gebruiken, want je bent hier tenslotte te midden van natuurliefhebbers.’ Tot overmaat van ellende knipoogde hij daarop naar mijn vriendin, het kostte hem zichtbaar moeite zijn vettige ooglid weer omhoog te tillen nadat hij hem opzichtig dicht had gedrukt. Ik werd misselijk en zocht vast naar een plek om mijn maagsappen te lozen, wat gelukkig niet nodig bleek. Lisa rondde het gesprek namelijk meteen af door de man vriendelijk te bedanken en mij weg te tronen naar de andere kant van ons perceel.
‘Niet kotsen,’ zei ze – waarlijk niemand kent mij zo goed als zij – ‘het is allemaal goed bedoeld.’ Ja, dacht ik, het is allemaal goed bedoeld. Ik keek van de lap grond die nog bewerkt moest worden naar onze buurman, die ons nog altijd van een afstandje observeerde. Hij zwaaide toen ik hem in zijn lodderige ogen keek. Goed bedoelde zaken, dacht ik, zouden verboden moeten worden. Ik liep terug naar de vuilnisbelt en gooide demonstratief een metalen pijp, een stuk ondefinieerbaar katoen en een handje brandnetels in een plastic vuilniszak.



Terug