Terug

Beklemming (verkering III)

Op een avond, mijn nieuwe klaptelefoon trilde weer uit mijn broekzak doordat mijn nieuwe, opdringerige vriendin zoals iedere dag opnieuw wilde horen dat ik zielsveel van haar hield en haar nooitnooitnooit zou verlaten of in zou wisselen voor een meisje uit mijn klas waar ik twee weken eerder mee had afgesproken, besloot ik niet op te pakken. Sterker nog: ik legde mijn telefoon in het krantenbakje op het toilet in het midden van een oude Donald Duck en ging zelf in de tuin zitten. Ik probeerde van het laatste restje zonneschijn van de dag te genieten en te vergeten dat aan de andere kant van de stad een meisje zich nu ontzettend ongerust zou maken, zichzelf zou zien zitten janken aan het gat in de aarde dat mijn graf zou worden terwijl de kist met mijn stoffelijk overschot, dat na een intensieve zoektocht van drie weken pas gevonden was in een afgelegen greppel, langzaam aan de aarde werd toevertrouwd. Toch bleef ik zitten. De kiem van een grondig mislukt leven is dezelfde als die van een geslaagde variant. Ik greep die kiem, die risico nemen heet, met beide handen aan, want ik had langzamerhand de slingerschijt gekregen van mijn nieuwe liefde.

Vlak voor ik die avond naar bed ging, durfde ik mijn telefoon pas weer uit de krantenbak te vissen. 27 gemiste oproepen had ik, en achttien sms’jes en vier voicemailberichten. Kern van het verhaal: ze maakte zich ernstige zorgen. In haar laatste tekstbericht, twintig minuten daarvoor verstuurd, schreef ze dat op haar fiets was gestapt en mijn kant op kwam. Aan al het geloofwaardige zit een grens, dacht ik toen ik juist op dat moment de bel hoorde rinkelen. ‘Ik ben er niet!’ drukte ik vanuit de deur van het toilet mijn moeder op het hart toen ze naar de deur liep, sloot de deur en draaide hem gewelddadiger dan ooit op slot. Ik maakte het halvehartjeskettinkje dat sinds enkele weken om mijn hals bungelde los en stopte het tussen dezelfde Donald Duck als waar eerst mijn telefoon had gelegen.
‘Hij slaapt,’ zei mijn moeder, en daarna was van de andere zijde van de drempel wat verstomd gemurmel hoorbaar. ‘Morgen weer. Ja, welterusten,’ hoorde ik, en de voordeur viel dicht. Zachtjes werd er op de toiletdeur geklopt. ‘Toon?’ fluisterde de vrouw uit wier schoot ik ooit ontsproot.

Ook de volgende dag nam ik de telefoon niet op, en de dag erna en alle dagen daarna ook niet. Na een lange week waarin ik 73 oproepen misliep en mijn moeder me nog twee keer uit de brand moest helpen, bleek de boodschap te zijn overgekomen. Chique was anders, maar mijn jeugdigheid belette me de kennis tot het hanteren van de juiste omgangsvormen. Er werd van verschillende kanten op me ingepraat, maar ik kon het niet verdragen Sterre ooit nog onder ogen te komen.

Dat mijn kettinkje nog in een haast vergeelde Donald Duck zat, realiseerde ik pas toen ik uit huis ging en zelf een tijdschriftenbakje voor op het toilet aanschafte. Er bleek bij navraag in mijn ouderlijk huis geen Donald Duck meer op het toilet te liggen en dus was ook het kettinkje spoorloos. Het is zoals het is, dacht ik niet bijzonder verdrietig temidden van twaalfhonderd krantenbakken in de Action, terwijl in mijn broekzak mijn telefoon trilde. Mijn halve hart sloeg drie slagen over.



Terug