Terug

Arnon

In mijn nog zeer prille leven is op mij meer dan eens de vraag afgevuurd wat ik ‘later’ graag zou willen worden. In chronologische volgorde heb ik in de loop der jaren daar de volgende antwoorden op gegeven: mama, brandweermeneer, Ernie, Kristel van K3, schrijver, politieagent, paparazzo, chirurg, nog een keer schrijver, leraar Nederlands en ten slotte een-soort-van-combinatie-van-die-laatste-twee-achtig ‘iets’.

Eigenlijk meer dan ooit kon ik vorige week begrijpen dat ik ooit paparazzo had geantwoord op de vraag die ik als vierjarige klauterkleuter al op me afgevuurd kreeg. Ik had dat, ik vermoed ergens aan het einde van mijn basisschoolcarrière, eens gekscherend geroepen. Dat was eigenlijk voornamelijk omdat ik de exotische opeenvolging van klanken zo lekker vond bekken, maar ook een heel klein beetje omdat ik op vakantie ooit met een wegwerpcamera een stiekeme foto van Ron Boszhard had genomen, die voor me in de rij bij de Albert Heijn een magere rookworst op de kassaband legde. Ik had daar op een onverklaarbare manier een zinderend buikgevoel aan overgehouden en in de dagen daarna liet ik aan iedereen die het niet bepaald interesseerde de gelijk ontwikkelde foto zien. Zo’n zelfde spannende tinteling in de buikstreek ervoer ik vorige week, alhoewel er toen geen sprake was van Ron Boszhard en al evenmin van een magere rookworst. Op het station in Sittard, mijn bloedeigen Sittard, liep ik bij het ochtendlijke naar binnen dringen van de trein naar het noorden tegen Arnon Grunberg aan, de grootste levend literaire grootheid der literaire grootheden van deze grootse literaire tijd die enkele literair grootse boeken op zijn grootse literaire naam heeft staan. Met stomheid en verbazing geslagen hield mijn lichaam halt terwijl mijn spraakkanaal enkele kreten uitstootte, waarna ik door de stroom forenzen ongenadig ruw de trein werd ingeduwd. Ik verloor Grunberg hierdoor uit het oog en verzon, nadat ik vijf minuten op een treinzetel een volmaakte Parkinson-imitatie had uitgevoerd, het knotsgekke plan om door de trein te gaan lopen, hem te zoeken, en om voor zijn voeten om mijn knieën te vallen en hem te bedanken voor enkele wereldse inzichten, of iets van die intellectueel klinkende strekking. Enkele sociale conventies en een zeer drukke ochtendspits weerhielden mij daar echter van. Maar toen ik ter hoogte van station Eindhoven droef te moede uit de trein stapte voor een overstap die ik eigenlijk al een station eerder had moeten maken, zag ik hem door het raampje zitten. Arnon Grunberg, zijn opengeslagen literair grootse laptop op zijn literair grootse schoot. Bij nadere beschouwing zag ik dat hij, hoe kon het verdomme ook anders, aan het schrijven was. Hij was druk doende de mij ook zo bekende witte Word-pagina om te toveren tot een waar kunstwerk, een nieuwe aanwinst in zijn eigen grootse literaire universum. Ik griste mijn telefoon uit mijn broekzak en maakte zo onopvallend mogelijk een foto, die ik vervolgens met bijschrift ‘gvd’ aan al mijn literatuurminnende vrienden deed toekomen. Terwijl de trein langzaam maar zeker uit mijn zicht verdween, stroomden de reacties op mijn technische wondermachine binnen. Gretig las ik ze en vertelde iedereen die het vast wel wilde horen wat mij overkomen was. Mijn buik tintelde, een gevoel van kortstondige puberale verliefdheid maakte zich van mij meester. Ik las en beantwoordde, ik keek zelf nog eens goed naar mijn foto. Het was hem echt. Terwijl ik me afvroeg wat Grunberg, die toch zeker in Amerika woonde en werkte, eigenlijk in Sittard deed, hoorde ik achter me de deuren van de trein waarin ik plaats had moeten hebben, dichtklappen. Ik vloekte even, maar haalde al snel mijn schouders op. Met een glimlach rond mijn mond wachtte ik op de volgende.



Terug