Terug

Aapje

‘Mijn opa koopt een aapje,’ schreeuwde ik in de microfoon en legde er meer ziel en zaligheid in dan ik eigenlijk voor mogelijk hield, ‘en dat aapje neemt hij mee naar huis!’ Achter me stond een te dikke juffrouw enthousiast op een tamboerijn te rammen terwijl ze non-verbaal te kennen gaf dat ik het goed, héél goed, deed, dat inzingen. ‘Maar wat doet dat malle aapje nou? Hij springt in het rond en hij rukt aan een touw!’ zong ik erachteraan, en beëindigde daarmee het stuk dat voor mij was gecomponeerd. Nu mocht een van mijn klasgenootjes het volgende stukje van het liedje dat voor het goede doel op een speciale cd zou worden gezet, inzingen. Mijn allerbeste vriend mocht het tweede gedeelte van het liedje zingen. Het was een jongen die thuis iedere ochtend door zijn vader met een slipper op zijn hoofd werd gemept als hij te weinig melk bij zijn cornflakes deed – maar ook als hij te lang op de wc zat, de verkeerde boeken las of iets anders deed dat door de ogen van zijn vader niet door de beugel kon. Toen ik eens was blijven slapen was de man op mij erg sympathiek overgekomen, maar toen ik even naar het toilet ging – dat kon ik sinds kort zelfstandig – hoorde ik de man ingetogen schreeuwen.
Mijn vriend bracht het kleuterliedje met een ongeëvenaard gevoel voor dramatiek. ‘Dan springt hij in de klerenkast,’ zong hij, ‘waar hij mijn opa’s broeken past.’ Mijn vriend keek me aan of hij de tekst voor het eerst hoorde, alsof we de tekst niet wekenlang elke dag van twee tot half drie hadden geoefend, en alsof hij versteld stond van de malle streken van de aap. ‘En mijn opa schudt zijn vuist! Maar de aap zet hem uit huis!’ Ook het stuk van mijn kindercompagnon was tot een einde gekomen.

‘Mooi gezongen,’ zei ik toen we ons verwijderd hadden van de studio waar nu medekleuters de rest van het liedje stonden in te zingen. We liepen naar het schoolplein en namen op een bankje naast elkaar plaats. ‘Jij ook,’ zei hij terwijl hij een witte boterham uit zijn tas pakte waar zo te zijn alleen twee schijfjes komkommer op zaten. Met zichtbare tegenzin knaagde hij aan het brood, en we verwelkomden een stilte. Zo mooi kon dat toen al zijn, een stilte. Twee kleine jongetjes, nog weinig aangetast door de wereld en alles daaromheen, uitpuffend van een vermoeiende zangsessie met een in alle opzichten oververhitte muziekjuffrouw.
zangsessie met een in alle opzichten oververhitte muziekjuffrouw.
‘Mijn mama gaat de cd heel mooi vinden,’ zei ik na een tijdje.
‘Fijn. Mijn mama ook.’
‘Je papa ook?’ vroeg ik. Jeugdigheid kent geen schaamte.
‘Nee,’ zei hij alsof ik dat ook zelf had kunnen bedenken – en dat klopte ook. ‘Die niet.’
‘O,’ zei ik. ‘Jammer.’
‘Niet echt,’ zei hij, en weer werd het even stil.
‘Vanmiddag bij mij spelen?’ vroeg ik na een paar minuten.
‘Is goed,’ zei hij. Hij stond op en gooide zijn boterham, die hij slechts voor de helft had opgegeten, in de prullenbak.



Terug