Buiten floot een vogel

Alhoewel het hem zelf achteraf lichtjes verbaasde, had Jules tijdens zijn puberteit een wilde periode gehad, waarin hij opstandig werd en aan weinig anders denken kon dan waar jongens vanaf twaalf jaar non-stop aan denken.
Toen de baard in zijn keel zakte en hij de basisschool inruilde voor de middelbare variant, bolde zijn broek dagelijks op. Het was tijdens een korte pauze in de eerste klas, toen hij een peperkoekreep met kandijsuiker aan beide zijkanten at, dat hij een knappend geluid hoorde. Het bleek dat een van de knopen van zijn broek was gesprongen.
‘Zeiklul,’ zei Jules, een vloekend gezegde dat hem verboden was uit te spreken tijdens de lessen, maar tijdens de pauzes desalniettemin onophoudelijk uit zijn spraakkanaal rolde. Wat hij ermee wilde bereiken door het uit te spreken was voor hemzelf ook niet helder, maar het klonk stoer. Zeiklul.
‘Wie?’ vroeg het meisje naast hem, aan wie hij het ongeluk te danken had. Nee, antwoordde Jules, neenee, niks. Ze knikte, draaide zich om en nam nonchalant een hap van haar vierkante sneetjes brood, belegd met speculaas. Jules vond dat raar, vierkant brood belegd met speculaas.
‘Of toch.’
‘Of toch wat.’
‘Misschien is er toch iets.’
‘Wat dan?’
‘Nee. Niks.’ Hij stopte de resterende peperkoek in één keer in zijn mond, wat er, afgaande op het gegiechel van het meisje, vreemd uitgezien moet hebben.

Het zou minder dan twee maanden duren voordat hij durfde toe te geven dat de zeiklul die hij die middag uitsprak niet niks was, dat het in feite een absolute liefdesverklaring was geweest aan haar, aan het meisje dat maanden lang de ontvoerder was van zijn liefdesleven, de hebzuchtige piraat die al zijn fantasieën enterde alsof er genoeg ladingen edelstenen en juwelen aan boord te kapen waren om jarenlang zonder te werken op de bank te kunnen liggen vegeteren – papegaai op de schouder, afstandsbediening in de haak.
Niet achter, maar recht voor het fietsenhok was het, dat ze hem aankeek en terwijl hij voelde hoe zijn hart zich dwars door zijn borstkas een weg naar buiten probeerde te bonken heel theatraal een vinger op zijn mond had gelegd en zei: ‘Zeg maar niks meer, ik weet alles.’
Het waren belachelijk dramatische woorden die hem enigszins verwarden. Was hij in een film beland? Hij keek om zich heen, maar zag nergens iets wat op een camera leek. Hij verwierp die gedachte dus snel, en de inkijk die haar vrolijk open shirt bood op de poezelige hobbeltjes boven haar bovenbuik hielp daar gewillig aan mee. Ik zeg niets meer, had hij willen zeggen, en wat fijn dat je alles al weet. Wat ongelooflijk fijn.
Had hij willen zeggen. Veel verder dan een aantal vrij willekeurig gekozen medeklinkers kwam hij echter niet. Ze keek hem aan en herhaalde wat ze eerder zei. Deze keer voegde ze eraan toe: ‘Laten we naar mijn huis gaan. Mama is toch weg.’
Jules was dertien en alhoewel hij zich, gedreven door hormonen, stoer en manhaftig voordeed, wist hij van het hele gebeuren niet meer dan dat zijn broek af en toe bolde. In het grote huis zonder mama antwoordde hij ‘ranja graag’ op de vraag wat hij wilde drinken en ze luisterden naar een kinderprogramma op de radio waar ze te oud voor waren.
‘Laten we dikke boeddhababy’s maken,’ zei het meisje plots terwijl een man op de radio met een hoog stemmetje smeekte om niet op zijn hoofd te worden gemept. ‘Nee!’ riep hij, gevolgd door een doffe klap. ‘Tjonge,’ hoorde hij dezelfde man daarna zeggen, ‘tjongejonge, tjongejongejonge.’
Een kind maken dat op moet groeien met deze zooi op de radio leek Jules een morele misdaad die bestraft diende te worden met de marteldood, herinnerde hij zich gedacht te hebben – maar zoals op de meeste momenten die zijn leven vormden, sprak hij zijn gedachten niet uit en antwoordde in sociale wenselijkheden.
‘Dikke boeddhababy’s,’ herhaalde hij daarom. ‘Verklaar je nader.’ Met die laatste woorden sprak hij zijn moeder na, wanneer hij later dan afgesproken aan het avondmaal verscheen.
‘Dat je je dikke piemel in me steekt,’ zei ze, ‘en dat ik dan een kind met een dikke kop krijg. Volgens mijn vader was ik ook een boeddhababy met een dikke vette babykop.’ Ze knikte. ‘Echt waar hoor.’ Ze legde een hand op de bobbel die zich had gevormd achter de spijkerstof.
Jules zuchtte. ‘Dat zou een optie zijn,’ mompelde hij, ‘ware het niet dat ik weer eens gaan moest. Hij keek op zijn pols, waar geen horloge zat. Gedecideerd legde hij haar hand in haar schoot en stond op.
‘Ik ben jou zat,’ zei ze daarop plots woest, terwijl ze hem aankeek met niet alleen ogen, maar een heel gezicht dat uit alle gaten vuur spuwde. ‘Jij hebt veel te grote ogen, alle energie gaat naar de kijkgaten van je die alleen maar kijkenkijkenkijken, en daardoor heb je helemaal geen puf om te luisteren. Hoor je me? Je moet meer luis-te-ren! Luisteren,’ gilde ze met een hoog kinderstemmetje, ‘luisteren, verdomme!’
Alhoewel Jules geen idee had waarop ze exact doelde, vermoedde hij dat ze dat ze dat laatste weer van háár moeder had. Van haar moeder via haar naar een boeddhababy die er met zo’n rotkarakter waarschijnlijk nooit komen zal, de cirkel van het leven was weer rond.
‘Vriendelijk bedankt en de groeten,’ zei hij, en wandelde richting de deur – maar niet voordat hij het laagje ranja dat nog in zijn glas zat, met smaak opdronk.
‘Tot morgen in de klas,’ zei hij tegen het meisje toen hij in de deuropening stond. De deur viel met een zachte klik in het slot en buiten floot een vogel.

Terug