Avonturen eindigen altijd lelijk

Wie slentert, ziet pas echt. Dat viel Jules op toen hij voor het eerst in een paar dagen weer rondwandelde in wat zijn zaak was geweest. Niet gehinderd door veeleisende klanten of personeel met prangende vragen over duizend dingen die evengoed een nacht of wat konden wachten, zag hij de schoonheid van de supermarkt pas echt. Hij zag nu hoe vakkenvullers elkaar amicaal op de schouders sloegen, hoe de kassameisjes een klant in rolstoel hielpen bij het inladen van de boodschappen. Hoe er in de rij niet werd gezucht toen een oudere klant een bedrag van boven de twintig euro met dubbeltjes en stuivers betaalde. Misschien heb ik de mensheid toch verkeerd ingeschat, dacht Jules. Misschien, misschien. Misschien ook niet.
‘Ja, het is mooi.’ Anton keek om zich heen, leek weinig onder de indruk van de winkel. Zijn sarcasme ontging Jules niet, maar hij besteedde er weinig aandacht aan. Hij zag namelijk hoe Renate, het afdelingshoofd van de kassa’s, met haar armen gespreid op hem kwam afgerend. Renate was een vrouw van veel woorden en nog meer dramatiek, zoveel wist hij sinds het eerste bedrijfsfeest waarbij zij aanwezig was. Luid snikkend had ze hem haar hele liefdesgeschiedenis uit de doeken gedaan. Iets met een neger met een enorm geslacht, een kantoorklerk en een speciale schommel in haar kelder, meer had hij er niet van willen onthouden.
‘Och Jules toch,’ riep ze met ongepast gevoel voor dramatiek toen ze hem op een paar centimeter was genaderd, net alsof Jules had aangekondigd nog maar twee dagen te ademen en het dan voorgoed op te geven.
‘Tijd doet tik,’ zei Renate, ‘tikkerdetikkerdetiktik, maar sinds jij weg bent, tikt de tijd toch trager.’
Jules krabde aan zijn achterhoofd, om geen andere reden dan om tijd te rekken zodat hij met een geschikte reactie kon komen.
‘Hij is toch pas drie dagen met pensioen?’ vroeg Anton, terwijl hij het etiketje van een blik gepelde tomaten naar voren draaide. Onwillekeurig schoot het door Jules heen: het zit in de familie.
‘En wie mag jij zijn?’ vroeg Renate.
‘Een vriend,’ viel Jules snel in. ‘Een vriend, een goede vriend.’

Het stoepje voor de winkel was jaren- en jarenlang de plaats geweest waar zwervers zich verzamelden, om later in groepjes de winkel te bestormen. Veruit de meeste kwamen voor de gratis koffie, sommige staken een paar flesjes bier in de diepe binnenzakken van hun smerige jassen. Jules zag het altijd aan, liet het gebeuren. Soms moet je de mensen wat gunnen, vond hij, en als je dat één keer gedaan had, kon je het net zo goed een tweede keer doen.
Nu zat Jules zelf op dat stoepje, een flesje cola light bungelde in zijn hand. Naast hem hoestte Anton wat slijm op, dat hij met een flinke tuf op de stoep deed belanden.
‘Wat vond je ervan?’ vroeg Jules.
‘Ja, mooi,’ zei Anton weer, en meteen daar achteraan: ‘mis je het niet?’
‘Mwoah,’ loog Jules. Hij nam een flinke slok van de nu al prikloze frisdrank. Dat hij deze troep verkocht had – hij schaamde zich er met terugwerkende kracht voor.
Een vinger op zijn schouder. Nee, een flinke tik. Wie mepte hem daar? Hij draaide zich om. Het was Martijn, de jongen die zijn baan had overgenomen. Met een grote grijns staarde hij Jules aan.
‘Oude baas!’ riep hij.
Jules zuchtte, stelde Martijn voor aan Anton en vice versa. ‘Goede vriend,’ zei hij weer. Hij merkte dat hij het meende. Daarna vroeg hij: ‘Hoe lopen de zaken?’
Martijn lachte zijn tanden bloot. ‘Weet je,’ begon hij, en Jules wist dat wat zou gaan komen hem ’s nachts weer uit zijn slaap zou houden. ‘Weet je Jules, in het leven heb je winnaars en verliezers. Alles wat je moet doen is zorgen dat je een winnaar wordt, dat je een gouden plak omgehangen krijgt. De enige manier om dat te bereiken is door te veinzen dat je al twaalf van zo’n medailles hebt, en daar ben ik nu erg druk mee.’
Dat viel nog mee, dacht Jules. Desalniettemin was het een afgrijselijk antwoord. Hij knikte, ging niet op de onzin in en vertelde hoe heerlijk de afgelopen drie dagen waren geweest. Over een kruiswoordpuzzel die hij niet had gemaakt, over een goede vriend die op bezoek was gekomen. Over Anton.
‘Maar wij gaan weer verder, want we moeten nog dingen doen. Van alles.’ Jules stond op en zocht naar een manier om zo snel mogelijk weg te komen. Daarom begon hij opzichtig te speuren naar een prullenbak om zijn halfvolle flesje cola in weg te gooien.
‘Helemaal prima kerel,’ zei Martijn. ‘Ik spreek je nog.’
‘Ja,’ zei Jules, en trok Anton mee, ver weg van zijn verleden. Het flesje deed hij in zijn achterzak.

‘Waarom wilde je eigenlijk dood?’ vroeg Jules op de wandeltocht terug naar zijn huis. Een aantal keer had hem beziggehouden, het moment waarop hij Anton van de straat had geplukt. ‘Ik wil heel erg dood,’ riep de man die zijn halfbroer bleek te zijn toen, ‘heel erg dood.’
‘Ik heb littekens op mijn stembanden en beroep mij derhalve op mijn zwijgrecht,’ mompelde Anton plechtig, waarna hij een stilte liet vallen die niet meer werd doorbroken totdat de avond viel en het tijd werd om te koken. Dat Anton met Jules mee zou eten, was na een aantal dagen al een vanzelfsprekendheid geworden waar noch Anton, noch Jules graag verandering in zou willen zien.
Weet je wat,’ zei Anton terwijl hij de kurk uit een fles wijn schroefde, ‘wij gaan op avontuur. Mij tegenspreken doe je niet: morgen pakken we onze spullen en dan gaan we. Waarheen zien we dan wel weer.’
Avonturen eindigen altijd lelijk, dacht Jules, maar voor thuisblijven geldt hetzelfde.
‘Ja, goed,’ zei hij daarom maar.

Terug