Ach, ach, ach, Juulke toch

Weer was het zo ver: de slaap weigerde zich aan Jules op te dringen. Harder dan ooit telde hij schapen, en toen dat niet werkte ook ossen, buffels en konijntjes, maar dat alles bleek tevergeefs. Naast hem in het muffe hotelbed snurkte Anton, tevreden omdat hij had gevonden wat hij zocht. Jules had niets gevonden, maar had ook niets gezocht in de parenclub waar ze de avond hadden doorgebracht. Hij dacht terug aan ‘het avontuur’ dat hij tot nu toe met zijn halfbroer had meegemaakt, en het was daar, op het matras dat in plaats van schuimrubber met stof leek gevuld, zo rook het althans, dat Jules besloot dat het zo niet langer kon. Hij was op reis met een volslagen onbekende, die zich weliswaar had voorgedaan als zijn halfbroer – wie zei dat hij dat echt was? – en hij had de avond in een parenclub rondgehangen. Bovendien hingen er nog altijd onuitgesproken vragen in de lucht. Hoe was Anton erachter gekomen dat Jules zijn halfbroer was? Waarom was hij zo ongelukkig op de nacht dat ze elkaar voor het eerst troffen? Wellicht, dacht Jules, is het maar het beste die vragen onuitgesproken te laten.
Alhoewel hij het niet wilde toegeven, was het enige dat hij wilde terug naar zijn gemoedelijke en voorspelbare leven als supermarktmanager in de plaatselijke supermarkt. Het moest anders. Morgen, bij het aanbreken van de dag, als Anton met zijn ochtendmondstank ‘goedemorgen’ uitbraakte en daarmee een kolkende misselijkheid bij Jules teweeg zou brengen, dan zou hij het zeggen. Hij sprak de woorden alvast geluidloos uit, als oefening voor de volgende morgen. ‘Anton, ik denk dat we er een einde aan moeten breien. Ik wil terug naar huis en misschien moet jij een ander plekje zoeken.’ Nee, dat was het niet. Te soft. Hij moest resoluter zijn, iets waar hij zijn hele leven lang moeite mee had. Nogmaals. ‘Anton, hier stopt het. Ik ga naar huis en jij zoekt een ander onderkomen. Ons samenzijn doet pijn.’ Beter, maar hij aarzelde bij die laatste zin. Kon hij dat zomaar zeggen, kwetste het niet te veel? Hij twijfelde, maar niet aan het waarheidsgehalte ervan. Jules durfde het toe te geven: het deed pijn om met Anton te zijn. Nabijheid van een ander, hij was het niet meer gewend. Alleen zijn was zo nu en dan een lijdensweg, maar samenzijn was een marteling geworden. Hij dacht aan de zwart-witfoto die hij jarenlang in zijn kantoor achterin de supermarkt had staan en plots leek het alsof een hartstilstand nabij was. Een stekende pijn werkte zich via zijn hoofd naar zijn borststreek. Jules voelde de pijn, onderging het gelaten. Hij was het gewend, telkens wanneer hij in zijn herinnering groef naar de vrouw die zijn leven had bepaald, stak een intense pijn de kop op.
De eerste keer dat hij die pijn voelde, was toen de deksel op de kist ging. Vlak daarvoor, de laatste keer dat ze samen waren. Hij warm, zij koud. Het is goed zo, hield Jules zichzelf voor, maar alles in hem schreeuwde het tegenovergestelde. Het was te vroeg, zo was het leven niet bedoeld. Nadat hij een korte brief voorlas waar hij desalniettemin drie dagen aan gewerkt had, draaide hij onder begeleiding van droevige vioolmuziek alle schroeven zelf vast. Uiterlijk rustig wandelde hij de kamer uit en mompelde tegen de medewerkers van het rouwcentrum dat hij klaar was, dat hij haar aan hen toevertrouwde. Een dag later werd ze ter aarde besteld, in aanwezigheid van een twintigtal aanwezigen, onder wie niemand van Jules’ supermarkt. Nooit had hij op zijn werk iemand verteld over haar haar heengaan, uit een diepgewortelde angst voor medelijden, voor treurige blikken en ‘ach, ach, ach, Juulke toch’ en handen die zachtjes in zijn schouder zouden knijpen. Hij zou doorwerken, de draad oppakken, rekeningen blijven betalen, cryptogrammen in de krant blijven maken, te grote porties blijven koken en haar kant van het bed verzwaren met kranten en boeken zodat wanneer hij zich ’s nachts omdraaide, hij een contragewicht zou blijven voelen.

Jules werd wakker met een droge mond. Hij draaide zich verward om, de slaap had hem blijkbaar toch gevangen, en merkte op dat het bed aan de andere zijde leeg was. Uit de badkamer klonk geruis en onder de deurpost perste stoom zich een weg naar buiten.
‘Goedemorgen,’ riep Anton vanuit de badkamer. Hoe hij wist dat Jules was ontwaakt – een raadsel.
‘Ja,’ mompelde Jules, onhoorbaar voor Anton, goedemorgen.’
Het geruis stopte. Jules hoorde hoe Anton zich afdroogde, het geluid van een handdoek over een schilferige huid, eindigend met een langgerekt ‘aah, lekker.’ De deur van de badkamer zwiepte open en Anton verscheen in vol ornaat.
‘Ik moet je wat zeggen,’ zei Jules en probeerde zijn blik af te wenden. ‘Kleed je aan en kom zitten op het bed.’

Terug